UIT EDITIE 10

Maartje van Noort

woorden: Manon Laterveer-de Beer
beelden: Bianca van Houten
Maartje_Nr10_1

Haar ranke vingers omklemmen de koffiebeker. Ze veegt een pluk haar weg die voor haar ogen valt. Met dezelfde vingers schept Maartje van den Noort haar wereld op papier. Een ‘rommelige schoonheid’, noemt ze het zelf. Geen weerspiegeling van een perfecte werkelijkheid, maar met een rauw randje. Want het echte leven is ook niet perfect.

In haar atelier, op een steenworp afstand van het Amsterdamse Centraal Station, valt door de hoge ramen van het doorleefde pand een weldadige hoeveelheid daglicht naar binnen. Een onmisbaar ingrediënt voor Maartje om met de fineliner haar schetsen te maken. Net zoals de enorme verzameling gedroogde planten die een soort wunderkammer van de ruimte maakt. Ze spelen de hoofdrol in haar grafische kunst. ‘Ik wil tekenen wat ik zie en werk heel erg op gevoel,’ zegt ze met een serieuze, dromerige blik. ‘Vraag mij niet om diep doordachte concepten te maken.’ Het is een werkwijze waarbij ze zichzelf tijdens haar opleiding aan de Kunstacademie behoorlijk tegenkwam. ‘Ik koos voor de autonome beeldende kunst. Een richting waarin het heel belangrijk is te beargumenteren waarom je doet wat je doet. Hoewel het heel waardevol was om mee te maken, vond ik het lastig om bij alles wat ik maakte daarover na te denken. Tijdens de opleiding gaat het niet zozeer om het resultaat, maar om de weg ernaartoe. Je wordt als het ware gedwongen om ‘het idee achter het idee’ te achterhalen. Verder te gaan dan je in eerste instantie doet. Daarmee doorliep ik ook een persoonlijke ontwikkeling.’
 
Als kind groeide Maartje op in Zeeland. Een veilige omgeving, waar ze niets liever deed dan tekenen of dingen maken. Een creatieve opleiding lag niet om de hoek, dus koos ze voor een opleiding tot activiteitenbegeleidster, dicht bij huis. Het werd geen groot succes. Toen ze van een buurmeisje de tip kreeg over het Grafisch Lyceum in Rotterdam, waar je veel kunt tekenen, besloot Maartje dat te gaan doen. Hoewel ze de vier jaar vol maakte, voelde ze zich niet thuis in het planmatig werken met allerlei technieken. ‘”Jij moet gewoon kunnen rommelen”, zei mijn mentor na afloop. Ze raadde me aan om naar de kunstacademie te gaan.’
 
Maartje_Nr10_2

 

 Wat precies ‘het idee achter het idee’ is, kan Maartje niet meteen benoemen. Maar ze beseft wel dat ze tijdens haar opleiding anders naar kunst leerde kijken. ‘Een baksteen kan ook kunst zijn. En er zijn mensen die bijvoorbeeld kunst gebruiken om een statement te maken over maatschappelijke kwesties, zoals de verhouding tussen mannen en vrouwen. Door me te verdiepen in wat mensen ergens mee bedoelen, merkte ik hoe fascinerend het is om naar iets te kijken wat anderen bijvoorbeeld te heftig vinden. Net als in het echte leven. Als iemand een ander iets aandoet, kun je dat afkeuren. Maar je kunt je ook afvragen wat zo iemand beweegt.’

De verdieping in het leven die Maartje tijdens haar opleiding doormaakte, kreeg nog meer grondstof in de maanden erna. Ze deed vrijwilligerswerk in Tel Aviv; een plek die vanwege haar Joodse achtergrond een natuurlijke aantrekkingskracht had en heel vertrouwd aanvoelde. ‘Met mijn diploma op zak lag het werk niet meteen voor het oprapen. En ik had er behoefte aan om weg te gaan. In het bejaardenhuis waar ik vrijwilligerswerk deed, sliepen ook mensen die de holocaust hadden overleefd. Ze waren zwaar getraumatiseerd. Er was een man, Benjamin, die ’s nachts gilde als een kind. Echt hartverscheurend. De verpleegsters waren potige Russische Jodinnen, met weinig persoonlijke aandacht en tijd. Op een gegeven moment mocht ik taken van hen overnemen waarvoor ik eigenlijk helemaal niet ben opgeleid. Mensen wassen en verschonen. Ik kon ze liefde geven en merkte dat zij dit ook konden ontvangen, hoe ver ze ook heen waren. Dat deed echt iets met me.’

Het drukke verkeer op straat lijkt plotseling op te houden te bestaan. In de studio vangt een scheefgezakte berenklauw met zijn kroon de ronddwarrelende gedachten. Dan vindt Maartje de woorden die zij eerder zocht. ‘Misschien is dat wel het idee achter het idee. Dingen die zwaar zijn, raken mij het meest. Daar wil ik iets mee doen in mijn kunst. Soms lijkt het alsof ik alleen maar mooie plaatjes aan het maken ben. Maar het gaat mij juist om de rafelrandjes. De echtheid van het leven. De academie heeft mij geleerd om aan alles te mogen twijfelen, dingen te bevragen.’

Maartje_Nr10_3

 

Aan de start van haar loopbaan, nu zo’n dertien jaar geleden, begon Maartje met haar zoektocht naar welke producten zij wilde maken. ‘Behalve tekeningen waren dat eerst ook lampen en sjaals,’ lacht ze. ‘Achteraf denk ik: dat was best grappig om te doen. En het verkocht ook goed, via de concept store waar ik meehielp met het samenstellen van de collectie. Maar ja, wat komt daarna? Ben ik dan alleen nog maar lampen en sjaals aan het produceren? En moet ik elk half jaar met een nieuwe collectie op de markt komen? Nee, dat is niks voor mij. Een veel te strak keurslijf.’ Wat Maartje wel heel goed ligt, is het ontwerpen en maken van kaarten waarmee ze allereerst in Amsterdam de boer op ging. De fijnzinnige afbeeldingen van planten en vogels vonden prima aftrek bij diverse winkels die ze in hun assortiment wilden opnemen. ‘Dankzij de kaarten kregen mensen mij in het vizier. Toen kwamen opdrachten voor tijdschriften zoals bijvoorbeeld Flow en Libelle om illustraties te maken.’

Die vaste basis met opdrachtgevers is natuurlijk een heerlijke uitgangspositie voor een kunstenares als Maartje. Daarnaast is ze steeds meer bezig met vrij werk. De eerste stap hierin was het Pocket Herbarium; een samenwerkingsproject met kunstenares Saskia de Valk, met wie Maartje haar studio deelt en die ook de verzamelaarster is van de uitgestalde bloemen, planten en zaden. ‘Het Pocket Herbarium is een boekje om bloemen, momenten en gedachten in te bewaren,’ zegt Maartje. ‘Ik heb de illustraties verzorgd. Behalve een voor planten hebben we er ook een over vogels gemaakt, en over insecten en paddenstoelen. Een verzamelboekje over bomen rolt binnenkort van de pers. Hiermee is een begin gemaakt met wat echt uit mezelf komt. En dat wil ik heel graag verder uitbouwen.’

Maartje_Nr10_4

 

 Ook is Maartje van begin af aan bezig met het maken van schilderijen. Haar vogelportretten vonden gretig aftrek, nu wil ze meer intuïtief met schilderen aan het werk. In haar studio staat een aantal doeken die nog niet af zijn langs de muur. Een schildersezel is er niet. ‘Ik zit op mijn hurken of op een krukje. En ik vind het fijn om met verschillende projecten tegelijk bezig te zijn. Bij mij gebeurt alles in het moment, zonder vooropgezet plan. Het gaat eigenlijk zo: voor een bepaald schilderij heb ik een kleur gemengd. Dan kijk ik bij welk ander schilderij het ook goed past. Mijn focus gaat dus verder dan één doek.’

Alle schilderijen en tekeningen in Maartje haar atelier hebben de natuur als thema. Op één schilderij na, dat bovenop een tafel schuin tegen de muur staat. Het is een portret van de driejarige dochter van Maartje; het nog oningevulde gezichtje maakt nieuwsgierig. Bij het zien van zo veel werk in wording, pareert Maartje de vraag wanneer iets af is met het optrekken van haar schouders en een grijns op haar gezicht. ‘Geen idee. Dat is iets heel subjectiefs. Soms neem ik een foto van wat ik heb gemaakt en laat die thuis aan mijn man zien. Hij is ook kunstenaar. Wanneer hij zegt: “Vet, die is af!” dan laat ik het gewoon zo. Je kunt natuurlijk eindeloos doorgaan, maar ik ben niet zo’n technische schilder die een puntgaaf stilleven wil afleveren. Daar vind ik niks aan, er moet iets in zitten wat onvolmaakt is.’

Achter de glazen deur van een kastje aan de muur staat een tastbare uitstalling van de stappen die Maartje tot nu toe als kunstenaar heeft doorlopen. In het hart de trouwfoto van haar grootouders, gemaakt tijdens de Tweede Wereldoorlog. De donkere kleding en gelaten gezichten werpen een sluier over de tijd waarin hun Joodse identiteit het daglicht niet mocht zien. Het zijn de wortels die Maartje misschien onbewust met zich meedraagt, die haar innerlijke drang veroorzaken om alles wat bij het leven hoort zichtbaar te maken. Vlakbij de foto en tussen kaartensets met fijne pentekeningen staat een voorbeeld hiervan. Een werk met de prikkelende titel: Herinneringsboek. Op de kaft vliegen kraanvogels waarin de tekenstijl van Maartje duidelijk te zien is. Met betrokkenheid in haar stem vertelt ze over de bedenkster van het Herinneringsboek: een jonge vrouw van wie de ouders bij de ramp met de MH17 zijn omgekomen. ‘Het boek is bedoeld om herinneringen aan een dierbare overledene levend te houden. En troost te bieden aan de nabestaanden.’

Tijdens haar omslag naar vrij werken kwam en komt Maartje nog regelmatig hobbels tegen. Dat kunnen praktische hobbels zijn, zoals het vinden van een galerie. ‘Eigenlijk ben ik een beetje onzeker over mijn figuratieve, naïeve werk. Ik weet nog niet goed in welke hoek ik een geschikte expositieplek moet zoeken. Behalve de kunstuitleen die mijn schilderijen afneemt, zou ik graag een vaste plek hebben zodat het publiek kennis kan nemen van mijn werk.’ Toch heeft Maartje in de afgelopen jaren al goede keuzes gemaakt. Met enkele van haar schilderijen onder haar arm stapte ze naar het Textielmuseum in Tilburg met de vraag of deze in wandkleden konden worden vertaald. En dat lukte. ‘Door zo hoog in te zetten is er nu ook interesse voor mijn schilderijen. Dit betekent dat ik steeds meer het vrije werk kan induiken. Een duurzame gedachte, want daarmee kun je doorgaan tot je tachtig bent.’

Andere hobbels van Maartje zijn meer van mentale aard. ‘Bij het vrij werken moet alles uit mezelf komen. Elke keer voordat ik ergens aan begin, ga ik door een tijd waarin ik niets goed genoeg vind. Waarom zou ik nou dat takje gaan schilderen en voor wie? Wat is daar de betekenis van?’ Om inspiratie op te doen zoekt Maartje graag de natuur op. ‘Als we in het weekend met ons gezinnetje zijn, gaan we regelmatig naar het bos. We houden ons leven vrij klein, hebben geen wensen zoals een groot huis of het maken van verre reizen. Daarmee creëren we ruimte zodat we ons hart kunnen volgen. En ik leer steeds beter accepteren dat ik ook nutteloos mag zijn. In onze westerse wereld zijn we geneigd om overal een functioneel stempel op te willen drukken. Af en toe heb ik zo’n pijnlijk moment waarop ik weet: hier ga ik niets leuks uit halen. Vroeger stond ik dan op mezelf te schelden. Nu komen die momenten minder vaak voor en duren ze ook korter. De transitie van het werken in opdracht naar vrij werk heb ik heel bewust gekozen. Ik merkte dat ik veel energie kwijtraakte door steeds in te gaan op impulsen van buitenaf. Wanneer iets van me werd gevraagd, reageerde ik daar meteen op. Met het werken vanuit mezelf hoeft dat niet meer. En daar kan ik intens van genieten.’